Schumann Q1

Erik Schumann viool
Mark Schumann viool
Liisa Randalu altviool
Ken Schumann cello

Joseph Haydn (1732-1809) Strijkkwartet in D opus 76 nr.5 Hob.III:79 ‘Erdödy’ (1796/97)
Allegretto
Largo: cantabile e mesto
Menuetto: Allegro
Finale: Presto
Béla Bartók (1881-1945) Strijkkwartet nr.2 in a opus 17 (1917)
Moderato
Allegro molto capriccioso
Lento
Pauze
Giacomo Puccini (1858-1924) Strijkkwartet ‘Crisantemi’ (1890)
Giuseppe Verdi (1813-1901) Strijkkwartet in e (1873)
Allegro
Andantino
Prestissimo
Scherzo fuga

Schumann Quartett

Het Schumann Quartett werd in 2007 opgericht in Keulen, en bestaat uit de broers Erik, Ken en Mark Schumann, en alvioliste Liisa Randalu. In mei 2013 won het kwartet de eerste prijs van de strijkkwartetcompetitie in Bordeaux, en het jaar daarvoor de wedstrijd ‘Schubert and modern music’ in Graz. In 2011 waren de vier spelers prijswinnaars van de Paolo Borciani Competition en de 7th International Chamber Music Competition in Osaka. Momenteel studeert het Schumann Quartett verder onder de hoede van Harald Schoneweg (Cherubini Quartett) aan de Musikhochschule in Keulen en bij Günter Pichler (Alban Berg Quartet) in Madrid. Verder worden ze begeleid door Heime Müller, Eberhard Feltz, Henk Guittart en de leden van het Alban Berg Quartet.

Het kwartet wordt financieel ondersteund door Villa Musica Rheinland-Pfalz (Mainz) en de Irene Steels-Wilsing Foundation. Al vanaf het eerste seizoen was het Schumann Quartett Artist in Residence in Düsseldorf. Het kwartet gaat geregeld op tournee naar Japan, Canada, Frankrijk, Nederland, Oostenrijk, Spanje en Italië. Dit seizoen vermeldt optredens op festivals in Colmar, Davos, Lockenhaus, Menton, Parijs en Schleswig-Holstein. Het Schumann Quartett trad op met musici als Menahem Pressler, Henri Sigfridsson, Sabine Meyer, David Orlowsky, Nicolas Altstaedt en Cédric Pescia. De WDR in Keulen maakte meerdere keren radio-opnamen van het Schumann Quartett, zoals in januari 2013, met werken van Mozart en Verdi. Inmiddels verschenen twee cd’s van het Schumann Quartett. Begin dit jaar ontving het kwartet een muziekprijs van de Jürgen Ponto-Stiftung.

Echo’s van Händel

Het jaar dat bij de verjaardag van keizer Franz II (12 februari 1797) voor het eerst Joseph Haydns Kaiserhymne Gott erhalte Franz den Kaiser in het openbaar gezongen werd, schreef Haydn ook zijn Strijkkwartetten opus 76, opgedragen aan de Hongaarse graaf Joseph Erdödy. Binnen drie jaar verschenen er uitgaven van deze kwartetten in Wenen, Offenbach, Londen en Parijs, zo populair waren ze, met in totaal 22 uitgaven het hoogste aantal publicaties van Haydns strijkkwartetten ooit. Haydn was gefascineerd door het meesterlijke contrapunt van de barokke reuzen Bach en Händel, de ingenieuze techniek van het combineren van melodische lijnen volgens de regels van het componeren. Die fascinatie leefde hij flink uit in zijn Strijkkwartetten opus 76, de laatste complete zesdelige kwartetserie die hij voltooide. In het eerste deel van het vanavond gespeelde Strijkkwartet in D opus 76 nr.5 lijkt het alsof sonatevorm en variatievorm in elkaar geschoven zijn. Aan de basis daarvan ligt het eenvoudige sicilianothema aan het begin, dat diverse gedaanteverwisselingen en sferen en snelheden doorloopt en een echte climax beleeft. Het emotionele hoogtepunt van het kwartet ligt in het langzame tweede deel, Largo, dat in de opvallende toonsoort Fis-groot staat en als opschrift heeft: Cantabile e mesto, zangerig en droef. In het verstilde drieluik wordt het eenvoudige drieklanksthema mooi verdeeld over de instrumenten en wordt het omhangen met een avontuurlijk harmonisch klankgewaad. In het volgende Menuet heerst daarentegen zonnige zorgeloosheid en heerlijke ritmische Spielerei. De Finale is een heerlijke uitsmijter vol Haydns karakteristieke esprit en begint alsof het stuk al afloopt.

Een mijlpaal

De zes strijkkwartetten van Béla Bartók zijn ware mijlstenen in het repertoire voor strijkkwartet, vergelijkbaar met de werken van Haydn, Mozart en Beethoven, en nemen een centrale plek in in de muziek van de twintigste eeuw. En dat terwijl Bartók eigenlijk van huis uit pianist was. Verder bieden zijn strijkkwartetten doorkijkjes op de verschillende fases in zijn carrière als componist. Rond de tijd van het ontstaan van het Tweede strijkkwartet beleefde Bartók een van de moeilijkste tijden uit zijn leven. In 1911 was zijn opera Hertog Blauwbaard door de Opera van Boedapest afgewezen als onuitvoerbaar. Na nog enkele vergelijkbare tegenvallers had Bartók zich uit het openbare muziekleven teruggetrokken en zich geheel gewijd aan de verzameling en studie van volksmuziek. Dat verklaart ook de lange ontstaanstijd van zijn Tweede strijkkwartet tussen 1915 en 1917, midden in de Eerste Wereldoorlog. Bartók zocht hier naar een evenwicht in het gebruik van volksmuziek en ‘kunstmuziek’ en schreef met dit kwartet een van zijn meest introverte en persoonlijke werken. Het eerste deel ontkiemt uit een zoekend thema in de altviool. Het wordt voortgedreven tot een gepassioneerde climax, heeft sterke herinneringen aan het begin en eindigt ambivalent. Het progressieve tweede deel houdt het midden tussen ritmische plattelandsmuziek en hoekig expressionisme dat Bartók later nog sterker zou bezigen. Het laatste deel is opnieuw in zichzelf gekeerd en eindigt in een fatalistische sfeer.

De chrysanten

Muziek van Giacomo Puccini horen in een kamermuziekprogramma is een zeldzaamheid. Het gaat dan ook niet om een fragment uit zijn opera’s La Bohème of Tosca, maar om een van de weinige stukken kamermuziek van zijn hand. I Crisantemi (De Chrysanten) is een elegie voor strijkers, een instrumentale klaagzang. Uit een brief aan zijn broer Michele weten we dat Puccini het werk schreef in één nacht tijd in januari 1890 ter nagedachtenis aan de bevriende prins Amadeo van Savoy. Het is een melancholiek eerbetoon in klanken zonder woorden en in laat-romantische stijl.

Een vruchtbare pauze

Ten slotte Giuseppe Verdi. Net als Debussy en Ravel zette ook hij slechts één strijkkwartet op papier. Dat was dan ook nog eens het gevolg van een welgemikte ziekmelding. Verdi was in de winter van 1872-1873 in Napels voor repetities van zijn Don Carlos en Aida. Maar door de plotselinge ziekte van prima donna Teresa Stolz werden de repetities uitgesteld en had Verdi tijd te over. ‘Uit puur amusement’, zoals hij zelf zei, componeerde hij daarom in maart 1873 zijn Strijkkwartet in e. In april nodigde hij niets vermoedende vrienden uit in een hotel in Napels. Daar doken uit het niets vier strijkers op die zijn wondermooie kwartet speelden, en na een enthousiast applaus moesten herhalen. Toch verbood Verdi drie jaar lang verdere uitvoeringen en ook de uitgave. Als bewonderaar van de kwartetten van Haydn, Mozart, Beethoven en Schubert vond hij dat hij een heilig terrein had betreden dat eigenlijk het exclusieve domein van de Weense klassieken was en waarin hij een vreemde Italiaanse binnendringer was. Naderhand moest hij toegeven dat hij een hoogst origineel stuk kamermuziek had geschapen. Het experiment liet zelfs zijn sporen na in de subtiele instrumentatie van zijn twee laatste opera’s naar Shakespeare, Otello en Falstaff. Het beginthema van het onrustige eerste deel lijkt sterk op het jaloeziemotief van Amneris uit Aida. Het tweede deel had door toevoeging van woorden een aria van Rigoletto kunnen worden en het bijtende Scherzo knipoogt naar het Scherzo van Beethovens laatste kwartet op.135. De afsluitende fuga van het kwartet is verwant aan het wervelende ensemble aan het eind van Falstaff en verwijst geleerd maar geestig naar kwartetfuga’s van Haydn, Mozart en Beethoven.

 

Clemens Romijn