Eggner Trio 2013

Georg Eggner viool
Florian Eggner cello
Christoph Eggner piano

 

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)
Pianotrio (Divertimento a 3) in Bes KV254 (1776)

 

Allegro assai
Adagio
Rondo: Tempo di menuetto
   
Anton Arenski (1861-1906) Pianotrio nr.2 in f opus 73 (1905)
 
Romance: Andante
Scherzo: Presto
Tema con variazioni
   
Pauze  
   
Franz Schubert (1797-1828) Pianotrio nr.1 in Bes opus 99 D898 (1827)
  Andante un poco mosso
Scherzo: Allegro-Trio
Rondo: Allegro vivace-Presto
   

 

Eggner Trio

Het Oostenrijkse Eggner Trio werd in 1997 opgericht door de drie broers Georg (viool), Florian (cello) en Christoph (piano) en treedt geregeld op in concertzalen in Europa, Japan, Argentinië, Uruguay, de VS, Australië en Nieuw-Zeeland. Het trio gaf concerten op internationale festivals als de Kissinger Sommer, de Schubertiade in Schwarzenberg, de Heidelberger Frühling en het festival in Lockenhaus. In 2003 won het Eggner Trio de Melbourne International Chamber Music Competition in Australië. In 2006 speelden de drie broers in de serie Rising Stars onder meer in de Carnegie Hall, de Cité de la Musique in Parijs, het Festspielhaus in Baden-Baden, de Philharmonie in Keulen, het Mozarteum in Salzburg en de Musikverein in Wenen. Naast kamermuziek speelde het trio inmiddels ook solistisch in tripelconcerten van Beethoven en Martinů, met orkesten in Italië, Australië, Tsjechië, en Oostenrijk. Opnamen op cd door het Eggner Trio met trio’s van Beethoven ontvingen de prijs van ‘Best Recording 2008’. Verder verschenen opnamen met pianotrio’s van Mendelssohn, Sjostakovitsj, Brahms en Clara Schumann. Voor die laatste opnamen ontving het Eggner Trio de Pasticciopreis van Radio Oesterreich 1. Georg Eggner bespeelt een viool van Giovanni Pistucci (1895) en Florian Eggner een cello van Carl Richter (1907).

Toelichting

De piano en zijn helpers

In zijn jonge jaren trok Mozart met zijn familie langs de wegen van Europa. Hij speelde voor de koningen van Frankrijk en Engeland een soort muziek die destijds nieuw was en erg in de mode. Mozart speelde zelf de hoofdrol op klavecimbel en werd op viool begeleid door zijn vader Leopold. Die vioolpartij was eigenlijk een volkomen bijzaak en kon desnoods worden weggelaten. Een ‘begeleide klaviersonate’ wordt dat genre genoemd, een sonate voor een solo-klavierinstrument (klavecimbel, clavichord of fortepiano) met ad-libitum partijen voor een of meer andere instrumenten. Gaandeweg echter kregen deze begeleidende partijen steeds meer een eigen gezicht en maakten componisten ze volledig los van de klavierpartij. Daardoor groeiden uit deze soort muziek drie nieuwe genres, namelijk de solo-sonate (zoals de pianosonates van Mozart), maar ook het pianotrio en het pianokwartet.

Het Pianotrio in Bes KV 254 uit 1776 is een voorbeeld van zo’n werk met een hoofdrol voor de piano en bijrollen voor de twee strijkers. De cello speelt voor het grootste deel slechts mee met de bas van de piano, maar de vioolpartij heeft een grotere onafhankelijkheid en geeft levendig commentaar op de pianomelodie of omspeelt die. In latere pianotrio’s zou Mozart een meer democratisch evenwicht tussen de drie instrumenten tot stand brengen. Heel mooi is de rolverdeling in het zangerige Adagio, waar de viool het voortouw neemt en piano en viool om beurten de hoofdmelodie spelen. Maar in het opgewonden en vurige slotdeel is de piano opnieuw de prima donna en geeft de twee collega’s het nakijken.

 

Bladzijden vol melancholie

De componist, pianist en dirigent Anton Arenski behoorde tot de laatromantische Russische componistenschool en stond sterk onder invloed van Anton Rubinstein en Tsjaikovski. Van zijn uitzonderlijke talent getuigen de pianostukken en liederen die hij al op zijn negende componeerde. Vanaf 1879 tot 1882 studeerde Arenski compositie aan het conservatorium van St. Petersburg bij Nikolai Rimski-Korsakov. Die was zo onder de indruk van zijn getalenteerde leerling, dat hij hem een klavieruittreksel liet maken van zijn (Rimski’s) opera Het Sneeuwmeisje. Nauw bevriend raakte Arenski met Tsjaikovski sinds hij docent voor harmonie en contrapunt werd aan het conservatorium van Moskou. Tot zijn belangrijkste leerlingen daar behoorden Sergej Rachmaninov, Alexander Skrjabin en Reinhold Glière. Vanaf 1895 tot 1901 leidde Arenski het beroemde koor van de keizerlijke kapel in St. Petersburg. De laatste vijf jaar van zijn leven wijdde hij aan het componeren en aan bejubelde optredens als pianist en dirigent in Rusland en daarbuiten. De begaafde en joyeuze, maar ook drankzuchtige en goklustige Arenski stierf in 1906 in Finland aan de gevolgen van tuberculose. Rimski-Korsakovs voorspelling ‘hij zal spoedig vergeten zijn’ is niet helemaal uitgekomen. Enkele van Arenski’s beste werken hebben steeds repertoire gehouden, zoals zijn Mendelssohn-achtige Eerste pianotrio en zijn Eerste strijkkwartet.

Minder bekend is het Tweede pianotrio (1905), ontstaan tien jaar na het Eerste en een jaar voor Arenski’s dood. Het hoofdthema van het ‘zware’ openingsdeel is duister en met onderhuidse krachten die aan Tsjaikovski doen denken. In de mooie Romance leiden de twee strijkers de piano kort in, waarna die alleen verder gaat in muziek die lijkt op een nocturne van Chopin. Verderop ontstaat er een prachtig samenspel met viool en cello. In het snelle Scherzo golven arpeggio’s door de pianopartij, terwijl de viool stuiterige tonen voortbrengt (spiccato) en de cello associaties oproept met de gitaar door getokkelde tonen (pizzicato). In het Trio neemt de cello het voortouw met het heerlijke thema. De Finale is opgezet als een thema met zes sterk contrasterende variaties. Na de laatste gepassioneerde variatie vol romantische energie en drama, besluit het Pianotrio met een terugkeer naar het kalme beginthema. 

 

Het rijkste bezit

Hoogtepunten uit de kamermuziek van Franz Schubert zijn de beide late Pianotrio's opus 99 in Bes, hier uitgevoerd, en opus 100. In tegenstelling tot andere werken uit de laatste jaren van Schuberts leven waarin innerlijke nood en vermoedens van een naderende dood weerklinken, straalt dit Pianotrio in Bes van levensvreugde. Robert Schumann zwaaide dit stuk alle lof toe: ‘Ein Blick auf das Trio von Schubert – und das erbärmliche Menschentreiben flieht zurück und die Welt glänzt wieder frisch.’ Dit wordt des te begrijpelijker, wanneer we weten dat het openingsdeel gebaseerd is op een lied van het jaar daarvoor (1825), namelijk Des Sängers Habe. Daar heet het:

Schlagt mein ganzes Glück in Splitter
Nehmt mir alle Habe gleich
Lasset mir nur meine Zitter
Und ich bleibe froh und reich!

 

Clemens Romijn