de Doelen, Jurriaanse Zaal, 20.15 uur

Borodin Kwartet

 
Ruben Aharonian viool
Sergej Lomovski viool
Igor Naidin altviool
Vladimir Balshin cello

 

Alexander Borodin (1833-1887)

Strijkkwartet nr. 2 in D (1885)

                             

 

 

Allegro moderato
Scherzo: Allegro
Notturno: Andante
Finale: Andante – Vivace

   

Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)

Strijkkwartet nr. 8 in c opus 110 (1960)

 

Largo
Allegro molto
Allegretto
Largo
Largo

pauze

 

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893)

Strijkkwartet nr 2 in F op. 22 (1874)

 

 

 

Adagio, moderato assai (quasi andantino)
Scherzo: Allegro giusto
Andante ma non tanto
Finale: Allegro con moto

Biografieën

De leden van het Borodin Kwartet zijn met recht doorgewinterde kamermusici: het kwartet bestaat dit jaar maar liefst 70 jaar! Natuurlijk waren er in de loop van de jaren bezettingswisselingen – en zelfs een naamswisseling: de eerste tien jaar van zijn bestaan ging het kwartet als Moskou Filharmonisch Kwartet door het leven – maar de traditie leefde voort van de ene samenstelling in de andere. De kwartetleden willen zich gezamenlijk geheel in dienst stellen van de wensen van de componist, wat uitvoeringen vervuld van intensiteit en focus oplevert. Het ensemble richt zich op de meesterwerken uit het kwartetrepertoire en heeft een reputatie hoog te houden op het gebied van Russische muziek, in het bijzonder die van Borodin en Sjostakovitsj. De laatste fungeerde jarenlang als een persoonlijke mentor bij de uitvoering van zijn kwartetten. De interpretatie van Sjostakovitsj’ complete kwartetoeuvre door het Borodin Kwartet wordt dan ook wereldwijd als zeer gezaghebbend beschouwd. Befaamd zijn de cycli met de complete strijkkwartetten van Sjostakovitsj die het Borodin Kwartet wereldwijd verzorgde, onder meer in Wenen, Zürich, Frankfurt, Madrid, Lissabon, Sevilla, Londen, Parijs, Amsterdam en New York.

Het Borodin Kwartet werd in 1945 gevormd door vier studenten van het conservatorium van Moskou. De vroegere cellist Valentin Berlinski was het langst lid van het kwartet, hij trad terug in 2007 en overleed in december 2008. Naast optredens met strijkkwartetten concerteerde het Borodin Kwartet met musici als Dmitri Sjostakovitsj, Svjatoslav Richter, Mstislav Rostropovitsj, Yuri Basjmet, Elisabeth Leonskaja, Natalia Gutman, Elisso Virsaladze en Christoph Eschenbach. Verder geeft het Borodin Kwartet regelmatig masterclasses. Voor het zestigjarige bestaan tien jaar geleden voerde het Borodin Kwartet de complete strijkkwartetten van Beethoven uit in Amsterdam en Wenen. Verder waren er galaconcerten in Moskou, Londen en Parijs en recitals in Madrid, Rotterdam, Brussel, Genève, München, Lissabon, Barcelona, Athene, Keulen, Istanboel, Zürich, Berlijn en New York. De omvangrijke discografie van het Borodin Kwartet bevat vele uitgaven die in de prijzen vielen, waaronder die met de strijkkwartetten van Tsjaikovski.

Strijkkwartet van een laatbloeier

Hoewel zeven jaar ouder dan Pjotr Iljitsj Tsjaikovski vond de Rus Alexander Borodin pas later zijn weg naar de klassieke muziek. Als buitenechtelijk kind van een Georgische prins werd hij opgeleid tot chemicus, maar door zijn contacten met Moesorgski en Balakirev raakte hij steeds meer overtuigd van zijn eigenlijke roeping. Hij ging behoren tot het zogenaamde Machtige Hoopje, het groepje componerende gangmakers van een ‘echte’ Russische muziek, Balakirev, Moesorgski, Cui en Rimski-Korsakov. Naast zijn succesvolle loopbaan als hoogleraar scheikunde leverde Borodin een hoogt persoonlijk muzikaal oeuvre af, met onder meer de Russisch getinte Eerste symfonie en de onvoltooid gebleven opera Prins Igor. Van zijn twee strijkkwartetten is het eerste het minst gespeelde.

Het Tweede strijkkwartet (1885) is daarentegen een van de meest geliefde werken uit het romantische kwartetrepertoire geworden. Waarschijnlijk omdat het een soort liefdesbrief in tonen is, opgedragen aan Borodins vrouw Ekaterina. Het kwartet roept de tijd op dat de twee elkaar leerden kennen in Heidelberg twintig jaar eerder. Borodin zelf is in het stuk vertegenwoordigd door de cello met zijn lang gesponnen cantilenen, want hij was zelf een bekwaam amateur cellist. Ekaterina krijgt een stem in de eerste vioolpartij, die veelal een vraag- en antwoordspel speelt met de cello. Zo worden de meeste delen gedomineerd door de liefdevolle conversatie tussen de twee strijkinstrumenten. Het meest befaamd daardoor is de langzame en expressieve Nocturne, waarin de cello aan de viool teder en vurig de liefde verklaart. Je zou haast de heerlijke en ingenieuze begeleiding van de tweede viool en altviool vergeten, waartegen het prachtige strijkersduet zich afspeelt. Daaraan vooraf gaat het contrastrijke Scherzo waar een lichtvoetig eerste thema en een deinende wals als het tweede thema tegen elkaar worden afgezet. Het laatste deel neemt maar moeilijk afscheid van alle bewogen noten, vooraleer het losbarst in een kwikzilverig Vivace.

‘Aan de slachtoffers van de oorlog’

‘Deze muziek is opzettelijk onharmonisch, chaotisch en onmogelijk te onthouden. Dit is spelen met obscure zaken. Zoiets kan slecht aflopen.’ Zo heette het dreigend in een berucht artikel in de Pravda in 1934. Ook de kop sprak boekdelen:  ‘Chaos in plaats van muziek’. Hij was door Stalin zelf gedicteerd. Het muziekwerk dat zijn toorn gewekt had was de opera Lady Macbeth van Mtsensk van Dmitri Sjostakovitsj die in Leningrad voor korte tijd op de planken was gebracht. De opera veroorzaakte een van de grootste schandalen uit de muziekgeschiedenis. Sjostakovitsj’ reactie op deze terreur was zijn ‘emigratie naar het innerlijk’. Naast openbare werken die hij schreef als een soort bewijs van goed gedrag componeerde hij zijn persoonlijke bekentenismuziek uitsluitend voor de bureaula. Het was wachten op betere tijden, op politieke dooi, op het einde van de oorlog, op de dood van dictator Stalin.

In 1960, zeven jaar na de dood van Stalin, componeerde Sjostakovitsj zijn Achtste strijkkwartet opus 110. Na vijfentwintig jaar van ‘innere Emigration’ stond hij zichzelf toe in zijn muziek filosofische en persoonlijke thema’s te verkennen als de dood, het noodlot, universele waarden en de strijd van de menselijke geest, vooral zijn eigen. In dit Achtste strijkkwartet citeerde Sjostakovitsj uit vroegere werken met een emotionele betekenis, uit zijn Eerste symfonie, de Vijfde symfonie, het Eerste celloconcert, het Pianotrio en uit de beruchte opera Lady Macbeth van Mtsensk. Het hoofdmotief is D-Es-C-H, de Duitse notennamen afgeleid van Sjostakovitsj’ initalen. Het afsluitende Largo is een langzame fuga gebaseerd op dit persoonlijke motief. Sjostakovitsj droeg het kwartet op ‘aan de slachtoffers van het fascisme en de oorlog.’

Een proeftuin voor de symfonie

Het bescheiden kamermuziek-oeuvre van Tsjaikovski telt drie strijkkwartetten, waarschijnlijk een soort proeftuinen voor de componist vooraleer hij zich waagde aan grotere orkestwerken. Het eerste uit 1871 kreeg extra bekendheid doordat Tsjaikovski het tweede deel Andante Cantabile bewerkte voor strijkorkest. Sterker nog qua uitdrukkingskracht en virtuositeit is het Tweede strijkkwartet in F van drie jaar later. Het eerste deel heeft een tijgerachtige expositie, als eenmaal de langzame inleiding voorbij is. Tsjaikovski graaft hier diep, laat de temperatuur hoog oplopen en levert een complex betoog. Na een charmant en zwierig tweede deel biedt het Andante een mengsel van klaaglijke lijnen, koortsachtige sequensen en suggestieve solo’s op de lage snaren. Het slotdeel is van een gepolijste heftigheid die uitmondt in een bijna overkokende climax.

 

Clemens Romijn