Concertgebouw de Doelen, Jurriaanse Zaal
Kamermuziekvereeniging Rotterdam
Dinsdag 10 mei 2016, 20.15 uur

 

Jerusalem Quartet  
Alexander Pavlovsky
Sergei Bresler
viool
Ori Kam altviool
Kyril Zlotnikov cello

 

Ludwig van Beethoven (1770-1827) Strijkkwartet nr. 6 in Bes opus 18 nr.6 (1799)
 

Allegro con brio
Adagio ma non troppo
Scherzo: Allegro
La Malinconia: Adagio – Allegretto quasi allegro

Béla Bartók (1881–1945) Strijkkwartet nr.6 in D Sz114 (1939)
 

Mesto-Più mosso, pesante-Vivace
Mesto-Marcia
Mesto-Burletta
Mesto

pauze  
Antonín Dvořák (1841–1904) Strijkkwartet nr. 12 in F opus 96 ‘Amerikaans’ (1893)
 

Allegro ma non troppo
Lento
Molto vivace
Finale: Vivace ma non troppo

Jerusalem Quartet

De spelers van het Jerusalem Quartet volgden een gezamenlijke opleiding bij Avi Abramovitsj aan de Jerusalem Rubin Akademie voor Muziek en Dans in Jeruzalem. Hun glansrijke carrière begon met het winnen van de Jerusalem Academy Chamber Competition in 1996. Het kwartet maakte deel uit van het BBC New Generation Artist Scheme en ontving een Borletti-Buitoni Trust Award in 2003. De afgelopen jaren trad het Jerusalem Quartet op in München, Parijs, Londen, New York en Washington. Sinds 2000 is het Jerusalem Quartet regelmatig te gast in Nederland. Tussen 2005 en 2007 verzorgde het kwartet een complete cyclus van de strijkkwartetten van Sjostakovitsj. In grotere bezetting werkte het Jerusalem Quartet samen met musici als Mitsuko Uchida, Tabea Zimmermann, Natalia Gutman en Itamar Golan. Verder zijn er samenwerkingsverbanden met Martin Fröst, Steven Isserlis, Sharon Kam, Elisabeth Leonskaja, Alexander Melnikov en András Schiff. Het kwartet heeft inmiddels een omvangrijke discografie op zijn naam staan, waaronder in 2006 een cd met muziek van Dvořák samen met pianist Stefan Vladar. De voorbije seizoenen concentreerde het kwartet zich op kamermuziek van Brahms, met uitvoeringen in Parijs, Hamburg en Rotterdam, en eveneens op Mozart, met concerten met strijkkwartetten en strijkkwintetten in Londen, Rotterdam, Amsterdam, München en Zürich, en aansluitend cd-opnamen. Ook kwam een cd uit met Schumanns Pianokwartet en Pianokwintet met pianist Alexander Melnikov. ‘Passie en koortsachtige energie, dat zijn de kenmerken van dit jonge Israëlische kwartet’, zo schreef muziekrecensent Geoff Brown in 2008. Dit seizoen viert het Jerusalem Quartet zijn twintigste verjaardag met de focus op Beethovens Strijkkwartetten opus 18, die in augustus 2015 werden opgenomen. Verder viert het kwartet zijn jubileum met een cyclus van de kwartetten van Bartók en optredens met pianokwintetten met pianist Sir András Schiff.

Geen Goethe, geen Händel

‘Mijn beste jongeman, beklaagt u zich niet, want u bent noch Goethe noch Händel. Er bestaat ook geen enkele reden te menen dat u ooit tot dit soort mensen zult behoren, want die worden niet meer geboren.’ Zo sprak een muziekkenner Ludwig van Beethoven toe, toen die nog maar kort in Wenen woonde. Sinds hij als tomeloos talent van tweeëntwintig jaar uit Bonn was gearriveerd, was hij gewend aan zulke woorden. Hij maakte furore als paleisvirtuoos, zag al enkele van zijn werken in druk verschijnen en zijn talent stond buiten kijf. Toch werd er door velen bevoogdend en zelfs neerbuigend over hem gedacht en gesproken, zoals hierboven.

Melancholie

Hoe Beethoven velen tegen de haren in streek, bleek meteen bij zijn eerste proeven, zijn opus 18. De Zes kwartetten opus 18 wekten bij het Weense publiek zowel bewondering als verbazing. Het zesde en laatste kwartet uit deze serie wordt veelal beschouwd als het meest rijpe vroege Beethoven-kwartet. Het eerste deel is ondanks zijn eenvoudige structuur stilistisch spitsvondig. Het Adagio ma non troppo is vol contrasten, sforzandi, plotselinge pauzes en verrassende timbres. Het ritmisch geraffineerde Scherzo is een waar struikelblok van syncopen voor de eerste violist. Het laatste deel, La Malinconia (de melancholie) behoort tot de meest persoonlijke stukken die Beethoven in deze periode schreef. Niet voor niets noteerde hij: dit stuk dient met de grootst mogelijke delicatesse behandeld te worden. Het eerste gedeelte beeldt het aanvankelijke trage stadium van de melancholie uit, langzaam en pianissimo, voorzien van een richtingloze harmonie en doorsneden door schrijnende fortissimo kreten. Het tweede gedeelte is de melancholie in haar hectische gedaante (Allegretto) uitmondend in een razendsnel Prestissimo slot. Korte Adagio-momenten breken de vaart en zaaien hevige twijfel in de al te grote uitgelatenheid.

Droefenis en berusting

Béla Bartók componeerde zijn Zesde strijkkwartet in 1939, kort voor hij definitief zijn vaderland Hongarije verliet. Hij was uitgeweken naar de Verenigde Staten vanwege het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Enkele jaren eerder had hij zijn afkeer tegen Hitler en het opkomend nazisme openlijk geuit door te weigeren zijn werken te spelen of te laten uitvoeren in Duitsland. Vervolgens werd Bartók vrijwel overal geboycot, vooral in pro-Duitse landen. In Amerika konden Bartók en zijn vrouw nauwelijks aarden. Hij geloofde lang dat het niet meer van componeren zou komen en schoot als een angstig dier door de overvolle New Yorkse straten. Bartók werd er ziek, woog in 1943 nog amper 44 kilo en overleed aan leukemie in New York in 1945.

Een sfeer van droefenis en berusting overheerst het Zesde strijkkwartet. Een melancholieke melodie (Mesto = bedroefd) vormt het voorspel van de eerste drie delen en loopt als rode draad door het kwartet. Bij iedere volgende keer krijgt ze een vollere bezetting en grotere expressie. Eerst ligt ze in de altvioolpartij in het eerste deel, dan in de cello en met een tremolobegeleiding die een bitter ironische mars in beweging zet (tweede deel). Dan is er een driestemmige versie in het derde deel, dat grotesk en gespannen aandoet. En ten slotte krijgt de melodie een vierstemmigte gedaante en wordt het thema van het laatste deel, een excursie langs een duister en onbegaanbaar pad zonder uitweg.

Een Bohemer in Amerika

De muziek van Antonín Dvořák wortelt diep in de volksmuziek van zijn vaderland Bohemen. Zelfs in zijn Amerikaanse tijd blikte hij bij het componeren terug naar het thuisland, zoals hoorbaar is in het Celloconcert en de Negende symfonie ‘Uit de Nieuwe Wereld’. Destijds, tussen 1892 en 1895, was Dvořák  directeur van het pas opgerichte National Conservatory of Music in New York. Ondanks hun zeer Boheems karakter worden ze samen met het Strijkkwartet opus 96 Dvořáks Amerikaanse werken genoemd.

Dvořák schreef zijn Strijkkwartet opus 96 in drie dagen tijd, toen hij vakantie hield in Spillville, een kleine kolonie van Boheemse emigranten in Iowa. Hij logeerde er te midden van gemoedelijke boeren, vriendelijke priesters en hartelijke huisvrouwen, en kon er zijn moedertaal spreken. Er is gesuggereerd dat dat een verklaring zou zijn voor de betrekkelijke eenvoud van het werk. Over zijn verblijf in Spillville zei Dvořák: ‘Wat betreft mijn nieuwe Symfonie, het F-groot Strijkkwartet en het Pianokwintet (geschreven hier in Spillville) – deze werken zou ik nooit zo geschreven hebben als ik Amerika niet gezien had.’  

De thema’s van de verschillende delen lijken afkomstig van Boheemse of Amerikaanse volksmelodieën, omdat ze gebaseerd zijn op de pentatonische toonladder F-G-A-C-D. Het tweede deel heeft de sfeer van een melancholieke negro-spiritual, alsof Dvořák er zijn eigen heimwee naar Bohemen van zich af zingt. Het sprankelende derde deel (Scherzo) imiteert het rapsodische gekwinkeleer van een Amerikaanse vogel, de Scarlet Tanager, (Nederlandse naam: Zwartvleugeltanager, Latijnse naam: Piranga olivacea). Het kwartet eindigt met een rondo waarin echo’s klinken van de kerkmuziek uit het ‘Boheemse’ Spillville waaraan Dvořák en zijn vrouw regelmatig deelnamen. Horen we op de achtergrond een verre trein voorbij razen?

Clemens Romijn

 


volgende concert: dinsdag 11 oktober 2016
Sitkovetsky Trio speelt Haydn, Saint-Saëns en Ravel