Jurriaanse Zaal van Concertgebouw de Doelen te Rotterdam om 20.15 uur

Belcea Quartet

Corina Belcea (viool)
Axel Schacher (viool)
Krzysztof Chorzelski (altviool)
Antoine Lederlin (cello)

Anton Webern (1883-1945): Langsamer Satz (1905)

Johannes Brahms (1833-1897): Strijkkwartet nr.2 in a opus 51 nr.2 (1873)
Allegro non troppo
Andante
Quasi Minuetto
Allegro non assai

pauze

Franz Schubert (1797-1828): Strijkkwartet nr.14 in d D810 ‘Der Tod und das Mädchen’ (1824-1826)
Allegro
Andante
Scherzo: Allegro molto
Presto

Belcea Quartet

De leden van het Belcea Quartet vonden elkaar aan het Royal College of Music in Londen in 1994, maar vormen een internationaal gezelschap. Eerste violiste Corina Belcea is Roemeense, altist Krzysztof Chorzelski een Pool, en de twee anderen zijn de Fransen Axel Schacher (tweede viool) en Antoine Lederlin (cello). Het Belcea Quartet combineert het traditioneel klassiek-romantisch werk met hedendaagse composities waarvan ze wereldpremières verzorgen, zoals Twisted Blues with Twisted Ballad van de Engelse componist Mark-Anthony Turnage in 2010. Het Belcea Quartet treedt geregeld op in concertzalen wereldwijd en op festivals als in Salzburg, Aldeburgh en Edinburgh en bij de Schubertiade Schwarzenberg. Muzikale partners van het kwartet zijn onder meer Piotr Anderszewski, Martin Fröst, Valentin Erben, Ian Bostridge en Matthias Goerne. Het Belcea Quartet was ensemble in residence van het Konzerthaus in Wenen in 2010 en gastensemble van de Guildhall School of Music and Drama in Londen. Via de Belcea Quartet Trust stimuleert het kwartet jonge strijkkwartetten en nieuwe compositie-opdrachten bij toonaangevende componisten van dit moment.

De discografie van het Belcea Quartet omvat de complete kwartetten van Beethoven, Bartók en Britten en muziek van Schubert, Brahms, Mozart, Debussy, Ravel en Dutilleux. De uitvoeringen van de complete kwartetten van Beethoven in het Wiener Konzerthaus in mei 2012 werden gefilmd en uitgezonden op Mezzo TV en verschenen op dvd, samen met de documentaire van het hele project door Jean-Claude Mocik, ‘Looking for Beethoven.’ In 2013 voerde het kwartet t.g.v. de honderdste geboortedag van Benjamin Britten al diens kwartetten uit. En in 2014  bracht het de wereldpremière van een nieuw werk van Mark-Anthony Turnage. Afgelopen seizoen stond muziek van Schönberg, Webern en Berg centraal in het kader van de twintigste verjaardag van het Belcea Quartet.

Een studiewerk

Anton Webern studeerde muziekwetenschappen bij Guido Adler in Wenen en promoveerde met een proefschrift over de Choralis Constantinus van Heinrich Isaac (1450-1517). Vanaf 1904 tot 1908 was hij compositieleerling van Arnold Schönberg. Na die tijd werkte hij als dirigent in Bad Ischl, Wenen, Teplitz, Danzig, Stettin en Praag en opnieuw Wenen. Webern raakte door de groeiende politieke spanningen in zijn land steeds meer geïsoleerd, vooral na de intocht van het Duitse nazisme in Oostenrijk in 1938. In de laatste oorlogsweken vluchtte hij naar het nabijgelegen Mittersill, waar hij door een tragische samenloop van omstandigheden door een Amerikaanse soldaat op 15 september 1945 werd doodgeschoten.

Naast de eenendertig officiële werken van Webern bestaat een reeks composities zonder opusnummer, tijdens Weberns leven onuitgegeven, schetsen, losse delen en jeugdwerken. Een daarvan is de Langsamer Satz für Streichquartett uit 1905, een expressief laat-romantisch stuk uit de tijd dat Webern nog bij Schönberg studeerde. Van twaalftoonstechniek vindt men hier nog geen spoor, want er is sprake van een duidelijke tonaliteit: c-klein. Het werk is qua bouw en stijl tamelijk traditioneel voor zijn tijd en het emotionerende karakter en de Mahleriaans lange zinsbouw wijzen nog geenszins op de latere cerebrale en compacte Webern-stijl. Alleen het veelvuldig gebruik van omkeringen van intervallen (sprong naar boven verandert in sprong naar beneden) wijst op Weberns latere voorliefde voor contrapuntische technieken.

De kachel van Brahms

‘De pen is niet alleen om te schrijven, maar ook om door te halen. Maar wees voorzichtig, want wat er eenmaal staat, laat men moeilijk weer los.’ Kortom: Kill your darlings! Tegen zijn leerling Jenner zei Johannes Brahms ooit: ‘U moet veel schrijven, eigenlijk dagelijks, en niet geloven dat alles wat u schrijft iets belangrijks moet zijn. Op het schrijven zelf komt het tenslotte aan. Ik wil niet alles onder ogen krijgen, daar is de kachel voor. Hoeveel liederen moet men niet maken, eer er eindelijk iets bruikbaars tot stand komt!?’ Brahms heeft tot zijn veertigste gewacht tot hij zijn eerste strijkkwartetten publiceerde. De sterke voorbeelden van Haydn, Mozart, Beethoven en Schubert maakten hem onzeker en frustreerden hem. Als hij aan een symfonie dacht hoorde hij de dreunende tred van Beethoven achter zich. Bij het strijkkwartet: idem dito. Toch had hij in stilte geëxperimenteerd. Maar daarvan is geen spoor bewaard. Want naar eigen zeggen wierp Brahms zo’n twintig kwartetpogingen in de vlammen. Toch redde hij het genre en vulde het met romantische adem: dat deed hij met de Twee kwartetten opus 51. Pas in 1873 durfde Brahms ze te publiceren. Inmiddels is bekend dat de eerste schetsen al acht jaar eerder op papier kwamen, bij Brahms geen ongebruikelijke gang van zaken.

Het hele Strijkkwartet opus 51 nr. 2 is doordrongen van een milde zwaarmoedigheid zoals alleen Brahms die op papier kon krijgen. In de eerste maten het bekende motto F-A-E. Daarachter gaat het jeugddevies van Brahms’ goede vriend Joseph Joachim schuil: Frei Aber Einsam. Ook het volgende Andante moderato, een van Brahms’ lieflijkste instrumentale delen, doet aanvankelijk mild aan, maar ondergaat een vergelijkbare gedaanteverwisseling als het eerste deel. Het onderhuidse en ingehoudene laat zich niet meer beheersen en moet in het middendeel dramatisch naar buiten barsten. In het doedelzakachtige thema van het volgende menuet refereert Brahms onopvallend aan het thema van het eerste deel. De finale brengt met haar Hongaarse sfeer en opgewekte stemming de verzoening in het kwartet.

Het meisje en De Dood

Het Strijkkwartet in d ‘Der Tod und das Mädchen’ D.810 behoort nu samen met het Forellenkwintet tot de beroemdste en populairste werken van Franz Schubert. Was het Forellenkwintet in Schuberts tijd zijn eerste kamermuziekwerk dat algemene bijval kreeg, het Strijkkwartet ‘Der Tod und das Mädchen’ riep aanvankelijk gemengde reacties op. Franz Lachner, die sinds 1822 tot Schuberts vriendenkring behoorde, schreef in zijn Herinneringen aan Schubert en Beethoven in 1881 over dit werk: ‘Dit Kwartet, dat tegenwoordig de hele wereld in verrukking brengt en tot de grootste prestaties in het genre telt, kreeg bepaald geen unanieme bijval. De eerste violist, Ignaz Schuppanzigh, die weliswaar vanwege zijn hoge leeftijd niet meer tegen zijn taak was opgewassen, opperde na het doorspelen tegen de componist: “Broertje, dit is niets, laat het achterwege en hou je bij je liederen”, waarop Schubert de muziekbladen stilletjes bij elkaar raapte en ze voor eeuwig in zijn bureau opsloot.’ Het Strijkkwartet ‘Der Tod und das Mädchen’ dankt zijn naam aan het Andante, een reeks van vijf variaties over het gelijknamige lied dat Schubert in 1817 schreef op een tekst van Matthias Claudius. In het lied weerklinken de hevige doodsangst van een jong meisje en haar wanhopige smeekbeden tot Magere Hein om haar te laten gaan. De Dood, die zich voordoet als een goedaardige vriend, probeert haar gerust te stellen: ‘Sei guten Muts. Ich bin nicht wild, sollst sanft in meinen Armen schlafen’.

Clemens Romijn

 

volgend concert

dinsdag 6 december 2016
Pianokwintet met Nicolas Altstad en Alexander Lonquich – Schuberts Forellenkwintet