20:15 – Jurriaanse Zaal – Concertgebouw de Doelen
19:30 – voorprogramma: Trio XVII met pianotrio’s van Ludwig van Beethoven, Gabriël Fauré en Rodion Shchedrin

Takács Quartet

Takacs Quartet  (Photo by Glenn Asakawa/University of Colorado)

Edward Dusinberre (viool)
Harumi Rhodes (viool)
Geraldine Walther (altviool)
András Fejér (cello)

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791): Strijkkwartet nr.14 in G KV387 ‘Frühling’ (1782)
Allegro vivace assai
Menuetto & Trio: Allegretto
Andante cantabile
Molto allegro

Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975): Strijkkwartet nr.11 in f opus 122 (1966)
Inleiding: Andantino
Scherzo: Allegretto
Recitatief: Adagio
Etude: Allegro
Humoreske: Allegro
Elegie: Adagio
Finale: Moderato

pauze

Felix Mendelssohn (1809-1847): Strijkkwartet nr.6 in f opus 80 (1847)
Allegro vivace assai
Allegro assai
Adagio
Finale: Allegro molto

Takács Quartet

Het Takács Quartet is opgericht in Hongarije en nu gevestigd in Boulder, Colorado, Verenigde Staten. In 1975 richtten vier studenten van de Muziekacademie in Boedapest, Gábor Takács-Nagy, Károly Schranz, Gábor Ormai en András Fejer het Takács Quartet op. Volgens hun eigen verhaal speelden Takács-Nagy, Ormai en Fejér een aantal maanden trio’s toen ze Schranz ontmoetten tijdens een voetbalwedstrijd na de lessen. Met de onmiddellijke toevoeging van Károly aan hun groep werd het trio een kwartet. Ze kregen voor het eerst internationale aandacht in 1977 en wonnen de Eerste Prijs en de Prijs van de Critici op de Internationale Strijkkwartetcompetitie in Evian, Frankrijk. Daarna won het kwartet de gouden medaille op de wedstrijden van Portsmouth en Bordeaux en de eerste prijzen op het internationale strijkkwartettenconcours in Boedapest en de Bratislava-wedstrijd in 1981. Het kwartet maakte zijn eerste Noord-Amerikaanse tournee in 1982. In 1983 besloot de groep dat het het beste zou zijn voor hen en hun families als ze naar de VS zouden verhuizen. Een collega bood hen een positie aan als quartet-in-residence aan de University of Colorado in Boulder en zij accepteerden die. In 1993 verliet Takács-Nagy de groep en de Britse violist Edward Dusinberre verving hem. In 1994 werd Ormai vervangen door een andere Britse muzikant, de violist Roger Tapping, die op zijn beurt in 2005 vertrok en werd opgevolgd door de Amerikaanse altvioliste Geraldine Walther. Inmiddels had het Takács Quartet de complete strijkkwartetten van Bartók en Beethoven opgenomen, evenals kwartetten van Smetana en Borodin.
Inmiddels beleeft het Takács Quartet zijn drieënveertigste seizoen, met zo’n tachtig concerten op de agenda. Dit seizoen was het te horen in Londen, Kopenhagen, Wenen, Luxemburg, het Rheingau Festival, het Edinburgh Festival, in Carnegie Hall, Australië en Nieuw-Zeeland. Verder maakte het ensemble een tournee met pianist Marc-Andre Hamelin. De nieuwste cd-opname verscheen in september 2017, met het Strijkkwintet opus 97 van Dvořák (met Lawrence Power) en Strijkkwartet opus 105.

Mozarts antwoord aan Haydn

Het openingswerk van vanavond, het Strijkkwartet nr. 14 in G KV387 van Mozart, behoort tot de zes zogenaamde Haydn-kwartetten die Mozart schreef tussen 1782 en 1785 en opdroeg aan Joseph Haydn, de man die hij beschouwde als zijn leraar, vriend en geestelijke vader. Als we bedenken dat Mozart voor het componeren van de ouverture tot zijn opera Don Giovanni slechts één avond nodig had en hij algemeen bekend stond om zijn zeer vlotte pen, dan moet het schrijven van deze zes Haydn-kwartetten hem veel tijd en moeite hebben gekost: ongeveer drie jaar denkwerk! In de brief ‘An meinen lieben Freund Haydn’ bij de uitgave van 1 september 1785 sprak Mozart openlijk van ‘de vruchten van lange en moeizame arbeid.’ Hij schreef de werken niet op bestelling of in opdracht, maar als een reactie op Haydns Russische strijkkwartetten opus 33 uit 1781. Opvallend is dat beide componisten tot die tijd een soort artistieke pauze van zo’n tien jaar hadden ingelast waarin zij geen enkel strijkkwartet componeerden. En ook dat Mozart kort na zijn kennismaking met Haydns opus 33 geheel onder de indruk van deze stukken op 31 december 1782 zijn Strijkkwartet in G KV 387 voltooide.

Dat kwartet opent (Allegro vivace assai) met een resolute maar elegante melodie, waarna plotseling een democratisch debat lijkt te ontstaan waarin alle stemmen wat te berde brengen. Dit barokke contrapuntische gebeuren is duidelijk door Haydns voorbeelden ingegeven. In het lieflijke Menuet (hier als tweede deel) en het volgende duistere Trio in g-klein wordt de elegante en minzame traditie van het menuet danig op zijn kop gezet. Na het prachtige en serene langzame deel (Andante cantabile) in C-groot, dat thematisch verwant is met het eerste deel, volgt een adembenemende Finale (Molto allegro) waarin fuga en sonatevorm op geniale en humoristische wijze met elkaar zijn vervlochten. Na een ware contrapuntische competitie tussen de vier stemmen eindigen deze in de laatste zeven maten tezamen vreedzaam en unaniem.

Een hommage van Sjostakovitsj

In 1965 overleed een van de beste en oudste vrienden van Dmitri Sjostakovitsj, de violist en componist Vasili Sjirinski (1901-1965). Hij was een van de oprichters van het befaamde Beethoven Kwartet in 1923, en was als tweede violist van dit kwartet betrokken bij de uitvoering van alle toen bestaande strijkkwartetten van Sjostakovitsj. In de tijden van grote terreur door de Sovjet-autoriteiten betekende een dergelijke verbintenis en vriendschap zeer veel voor de veel bedreigde componist. Met zijn Elfde strijkkwartet opus 122 schreef Sjostakovitsj in 1966 een hommage aan Sjirinski. Het werd geen klaaglijke treurmuziek na de dood van een vriend, maar een weerspiegeling van de veelzijdigheid van Sjirinski. Dat deed Sjostakovitsj door zeven korte contrasterende aforismen die zonder onderbreking in elkaar overgaan. Elk deel heeft zijn eigen specifieke titel, ook al dekt die titel de lading hier en daar bewust niet. Want in het deel dat nota bene Humoreske heet klinken de meest pijnlijke klanken door, en niet toevallig heeft de tweede viool daar het laatste woord, alvorens de aansluitende droeve elegie inzet. Zo heeft Sjostakovitsj lach en traan op ironische wijze door elkaar gemengd, als een afspiegeling van het leven zelf.

Mendelssohns klaagzang

Het Strijkkwartet nr.6 in f opus 80 ontstond in Felix Mendelssohns sterfjaar 1847 en grotendeels onder de indruk van de plotselinge dood van zijn dierbare zus Fanny in mei hetzelfde jaar. Mendelssohn kon aanvankelijk niet aan muziek denken en voelde zich volkomen leeg. Maar hij trok zich in de zomer van 1847 terug in Zwitserland om nieuwe kracht op te doen in de natuur. Het zal geen toeval zijn dat dit Strijkkwartet nr.6 een zeldzame expressiviteit heeft. Mendelssohn lijkt te zoeken naar nieuwe stilistische wegen die hij zeker nog verder zou zijn gegaan als de dood hem niet had ingehaald. Het kwartet is zo direct, vol dynamische tegenstellingen en dicht geweven, dat het een orkestwerk lijkt te willen zijn. Uit de nerveuze tremoli maken zich gekwelde melodievlagen los die zich niet bekommeren om klassieke thematische doorwerking maar het uitschreeuwen. Zelfs bij de tijdelijke idylle ligt de onrust dicht aan de oppervlakte. Dan volgt een gespannen Scherzo vol tegendraadse accenten en verderop krijsende bassen. De tragische ondertoon doortrekt ook de klaagzang met variaties in het langzame deel. En in de Finale klinken opnieuw heftige tegenstellingen, en noten van smart en verscheurdheid.

Clemens Romijn


Voorprogramma om 19:30
Trio XVII

Trio XVII: Jorge Gonzalez (cello), Hugo Mathis (piano), Karen Su (viool)

Ludwig van Beethoven (1770-1827): Pianotrio in D “Ghost”
I. Allegro vivace e con brio

Gabriël Fauré (1845-1924): Pianotrio in d mineur, Op. 120
I. Allegro ma non troppo
II. Andantino

Rodion Shchedrin (1932): Three Funny Pieces for Piano Trio
I. Conversation
III. Humoresque


volgend concert: dinsdag 23 oktober 2018
pianotrio Shaham, Erez, Wallfisch speelt Schubert, Beethoven en Dvořák